maandag 3 oktober 2011

BEN ZWAAL - Dwang parasang


Ik ken maar weinig dichters die zo geobsedeerd (zie eerste deel titel) zijn door zowel de lexicale mogelijkheden als de verborgen verbanden tussen de woorden als Ben Zwaal. In zijn eerder bundels hanteerde hij dezelfde werkwijze als nu. Zijn gedichten doen zich meer voor als de weergave van het taalspel op zich dan als dragers van boodschappen. Ze zijn meer proces dan product; ze groeien alsmaar door. Evenals in die vorige uitgaven nemen ze naar het eind van het boekje in omvang toe. Zijn sommige dichters bouwers van tempels met sarcofagen, Zwaal is een ontdekkingsreiziger die, al rondtrekkend, van tijd tot tijd de verzamelde taalvondsten uitspreidt en, voor de volgende etappe (zie tweede deel van de titel, dat Van Daales Etymologisch woordenboek niet kent) in een nieuwe samenstelling achterlaat voor de lezer. Die zal dan toch niet veel minder pioniersgeest als Zwaal moeten hebben. Op de achtergrond speelt steeds de beroemde tocht van Xenofon en zijn Tienduizend mee, zowel als metafoor als als uitwerking daarvan.


slijpen aan de eenzaamheid dat
die steeds scherpt

het is nu stil
hoeveel tijd ben je

onder de oren van de bladeren
tilt de wind
lucht op
de bladeren moeten

verdwijn.....uitzicht
kom.....ruisen


Recensie: www.alberthagenaars.nl. 1990.
Eerder gepubliceerd door de NBD (Nederlandse Bibliotheek Dienst).

donderdag 8 september 2011

MARK VAN TONGELE - Met de plezierboot mee


Ook in de poëzie heb je nog diverse gilden: die van zangers, bouwers, denkers, verkenners, jongleurs… De Vlaming Mark van Tongele (º1956) hoort het duidelijkst bij de laatste groep. Kort na het grote overzicht, ‘Gedichten’, uit 2005, verklapt de titel van deze nieuwe bundel dat taal voor de dichter veel, zoniet alles, met plezier te maken heeft. Talrijk zijn dan ook de neologismen (o.a. ‘doodslagerig’, ‘plasmapolka’ en zelfs ‘plofzangdagklankgewaarwording’) en andersoortige verspringingen in de betekenis. Hij kan geen woord met rust laten; moet het proeven, opgooien, wegen voor het een definitieve plaats krijgt, waar het dan nog blijft vibreren. Het is dus zeker opwindend zijn gedichten te lezen, die qua uitwerking ondanks de opzet in 4 afdelingen, ver uiteen kunnen lopen, rennen, vliegen.
Dat neemt niet weg dat de inhoud regelmatig klaagt over speloverlast. Niet alle jolijt voert naar een duidelijke zingeving. Een betere balans daartussen zou deze poëzie in kwaliteit verheffen. Maar zou van Tongele dan nog genoeg eigenheid overhouden? Alleen hijzelf kan die vraag beantwoorden.

Recensie: Albert Hagenaars, in 2007 geschreven voor NBD/Biblion.
www.alberthagenaars.nl

maandag 29 augustus 2011

HANS GROENEWEGEN - Zuurstofschuld

Weinig dichters zijn zo veelzijdig als Hans Groenewegen (º1956, Heemstede), die toch in alle verscheidenheid zozeer zichzelf is. ‘Zuurstofschuld’ bestaat uit vijf afdelingen die zich onderling verhouden als de gedichten waaruit ze bestaan. Belangrijke kenmerken zijn o.a. een krachtige ritmische golving, parallellie, contrasten en een zucht naar nieuwe woorden zoals dauwlicht, lippenvlinder, dagmes, ademslakken. Van heel kort (2 regels) tot lang (een cyclus van 10 gedichten) en van heel sereen tot uitbundig zoeken zijn teksten naar de eigenheid van zowel de waargenomen objecten en gebeurtenissen als het schrijfproces. Dat resulteert in een poëzie die niet altijd slaagt maar wel blijft boeien, juist vanwege de vele verbindingsopties. In dit opzicht spelen bijvoorbeeld motiefwoorden een grote rol: hijgen, mond, bloedbaan, lippen, uitgespuugd en vooral adem en longen, alle onvermoeibaar verspringend tussen leven en dood. Eén citaat lijkt in al z’n tegenstrijdigheid tekenend voor de verhouding tot de lezer: “Hoor mij uit, want ik luister.” Zo’n dialoog maakt elke poëziehoek spannend.



NAR


en de nar die was gaan slapen kon niet slapen

dus stierf hij maar en kon niet sterven


de nar die niet sterven kon en niet kon slapen

stond op om aan het werk te gaan en terwijl


de mensen in slaap werden gebracht en sliepen

en stierven, werkte hij door, terwijl de mensen


gingen slapen en stierven, uit sterven gingen

en sliepen, werkte hij door, terwijl de slaap


die hem overmand had hem niet overmande

werkte de nar door alsof hij haar niet vatten kon.






Recensie: Albert Hagenaars (voor de NBD).
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: Wereldbibliotheek, 2009.



maandag 11 juli 2011

JOS DAELMAN - Herdersuur

Hij is vrijwel onbekend, de Vlaamse dichter Jos Daelman (º1937), maar dat is, getuige deze kloeke bloemlezing, onterecht. Uit ruim een handvol volwassen bundels plukte hij z’n beste gedichten en groepeerde die opnieuw onder thematische titels als: ‘Taal’, ‘Plaatsen’, ‘Personages’ en ‘Memento Mori’. Achteraan staan nog reekjes in het Engels vertaalde gedichten en vertalingen uit andermans werk in eigen taal, maar die afdelingen zijn merkwaardig genoeg een stuk zwakker. De dichter voegde ook een korte verantwoording in de vorm van een credo toe.
Zijn gedichten zijn makkelijk leesbaar en gaan niet gebukt onder teveel betekenis. Ze spreken dan ook direct aan. De beelden zijn relevant en treffend, juist daar schuilt Daelmans kracht. Wat ik mis zijn verwijzingen naar de bundels waaruit de teksten gekozen zijn.
Wie zich voor wil laten staan op een uitgebreide poëziecollectie mag dit overzicht echter niet overslaan. Tot besluit een memorabel citaat:

Vannacht werd ik wakker
met een stenen kind
liggend tussen mijn benen






Recensie: Albert Hagenaars (voor de NBD), 1996.
Uitgeverij: C. de Vries-Brouwers.

dinsdag 21 juni 2011

JAN KEES VAN DE WERK - Witte haan



De flaptekst van deze tweede bundel Jan Kees van de Werk gewaagt van ‘een volkomen nieuw geluid in onze poëzie’. Een uitspraak die op de deur van de tolerantie roffelt. Technisch is hij alvast niet geldig, want Van de Werks teksten scharen zich tussen de zogenaamde rietstengel–gedichten; uiterst dunne en daarom meestal lange woordkolommen, waar ik de nodige bedenkingen bij heb. Inhoudelijk echter klopt het statement als een bus, want evenals in zijn debuut speelt Afrika een essentiële rol, als metafoor van (én contrapunt met) onze welvaartsstaat. Ik hoop dat hij hierin ook verder gaat.
Een van de mooiste verzen is het titelgedicht, waarin de anorexia poetica eerder betekenis toevoegt dan verstoort:


WITTE HAAN

legt
oude man
leemgelaagd
hand op
hoofd van kind

speekselspreuk
in toekomst
van haar
open palm
regent hij
gesponnen visioenen
om
de twijg

stofgoud
zwarte doek
en
witte haan
luisteren wij
naar ons
labyrinth

windvrij
regenbeschut
achter
koeienpoep
gesmeerd
ligt onze wens
adem omzwachteld
te zijn


Van de Werk slaagt erin om, ondanks de ongelukkig gekozen en m.i. ook gemakzuchtige vorm, de aandacht vast te houden. Voorwaar geen geringe prestatie. Onvermijdelijke ondersteunende motieven zijn de natuur en de groep als bestaanscel. Veel beelden blijven aan het geheugen kleven, vooral als ze associatief geladen zijn en zuiver verwoord bijvoorbeeld; ‘tijd waait / ketting los / vrouw in blauw / amandel oog…’ Het is dan ook vanwege de inhoud en en de originele beeldspraak dat ik voor Witte Haan een duim opsteek.




Recensie: Albert Hagenaars (voor de NBD).
Uitgeverij: De Prom, 1995.
Foto: Onbekend

woensdag 1 juni 2011

GUY VAN HOOF - De wetten van Copernicus



Met weinig en dan nog eenvoudige middelen en een overtuigende hoeveelheid expressie in deze uit 5 reeksen bestaande bundel overtreft de jonge dichter Guy van Hoof niet alleen tal van collega’s maar eerst en vooral zichzelf.
Het gebeurt niet zo vaak dat een dichter een aantal matige bundels publiceert om dan ineens zo te verrassen als Van Hoof nu doet. Zijn thematiek is die van het onvermogen van het individu temidden van de complexiteit en schijnbare zinloosheid van de wereld waar hij tegelijkertijd wel en niet deel van uitmaakt. De opposities zijn zo talrijk dat de bundel een spiegelpaleis genoemd kan worden. De spanning wordt nog versterkt door een scherpe beeldspraak en een trefzekere zegging die tevens de vorm (onregelmatig strofisch) bepaalt. Belangrijk is dat de bundel door een groot publiek gelezen kan worden, zonder dat Van Hoof concessies in die richting gedaan heeft.
Op de omslag van de bundel staat 'Interieur' van de Antwerpse schilder Johan Deboes, een voorstelling die gezien de grote overeenkomst in spanning en huiver goed past bij de beelden en sfeer van Van Hoof!
De bespreker zegt "chapeau", de poëzieliefhebber "precies!"


Hij reisde zichzelf achterna
en proefde de dood in de regen.

Onder de leren zool van zijn schoen
werd iets stukgetrapt.

Op het strand en in zijn gedachten
verkoos hij naakt te zijn,
de stad verborg hem in haar schaduw.

Een sigaret uitdrukkend
tegen een beslagen raam.

In het hotel
schoof zij de bedden tegen elkaar.
Er stond een schrijfbureau
zo nutteloos en mooi.

's Nachts de treinen
in het rangeerstation
de architectuur van het leven.





Recensie: Albert Hagenaars
Uitgeverij: Nioba, 1988.
Foto: onbekend.

zondag 15 mei 2011

MARIA VAN DAALEN - Onder het hart




Goede poëzie dwingt lezen af, vele malen herlezen. Nogal wat dichters proberen zo’n effect te bereiken met allerlei technische trucjes maar vallen door de mand zodra die verklaard kunnen worden. Zelden is er die onbenoembare symbiose van inhoud en vorm, dat evenwicht. In deze tweede bundel van Maria van Daalen is er zo’n balans wel degelijk. Aanvankelijk bewonder je de krachtige toon, de scherpe maar daarom niet minder suggestieve beeldspraak, de eenheid van de thematiek, maar gaandeweg bekruipt het gevoel je, dat je niet alleen maar een lezer bent. Deze fascinerende gewaarwording vindt z’n oorsprong weliswaar in de thematiek (leven, liefde, en dood, beter gezegd: liefde tot in de dood) en in de intelligent gedoseerde motieven (vuur, wapens, bloed, geweld etc.) maar wordt pas echt geëffectueerd door de grammaticale dissociaties, die als wakken in de taallaag verborgen liggen. Met schijnbaar gemak trekt Van Daalen je in haar archetypisch geladen wereld, in feite die van elk. Deze bundel behoort tot de beste van 1992!


AANRAKING

III

Als hij mij nadert ben ik aanwezig
en zie de leegte die hij me brengt,
een grijs wolfsvel in mijn schoot.

Wat daaruit nooit meer blinkend opstaat
heb ik gegeten toen hij zich neerlegde,
het scherp van een aanraking.

Ik heb je verteld wie ik ben.
ik heb verteld hoe je mij roept als je mij uitspreekt;
elk woord is mijn naam.

Wees mij dan, mijn
ademhaling een andere
die mij stilt.





Recensie: Albert Hagenaars, in opdracht van de NBD.
Fotograaf onbekend.