woensdag 5 januari 2011

JOHN IRONS - Pa



ZWEMMEN IN EEUWIGHEID

Over het opmerkelijk late debuut van John Irons

Als het waar is dat late debutanten gemiddeld met sterkere eerste bundels voor de dag komen dan vroege publicisten, dan is de al in 1942 geboren John Irons wel een heel duidelijke troefkaart van de voorstanders van deze veronderstelling!
Onlangs verscheen zijn eersteling, ‘Pa’ geheten, bij Avalon Pers en meteen in twee talen tegelijk: in de oorspronkelijke Engelse tekst en in de Nederlandse vertaling van Eva Gerlach.
De titel is niet alleen kort en krachtig maar dekt ook de inhoud; alle verzen, 14 stuks (waarvan sommige uit meerdere delen bestaan), handelen over Irons’ vader. Het eerste heet ‘Farewell’ / ‘Afscheid’, het laatste ‘Countdown’ / ‘Aftellen’. Daarmee heeft de dichter een mooie omtrekkende beweging in gang gebracht. De bundel begint namelijk enkele dagen na het overlijden van Irons senior en eindigt een paar weken vóór diens einde. Daartussen roept de zoon het beeld op van een man die een bijzonder authentieke persoon moet zijn geweest. Hij doet dat in een stijl die hoogstwaarschijnlijk goed past bij het karakter van de vader, een stijl die gebruik maakt van korte zinnen zonder interpunctie, eenvoudige maar direct treffende beelden, een niet minder zorgvuldige woordkeuze en een natuurlijk overkomend netwerk van klankovereenkomst. Een ander kenmerk is een speciaal soort humor, nuchterder, laconieker voor Nederlandse lezers dan we van de Engelse variant gewend zijn. Wellicht speelt hier ook Irons’ lange verblijf een rol in eerst Zweden en later Denemarken, waar hij doceerde in Odense. Het resultaat is hoe dan ook een hommage aan zijn schepper die nu zelf geschapen wordt!
Een fragment uit ‘Inheritance’ / ‘Erfgoed’, het openingsgedicht:


pa had hands that
never grew old
they just matured-
beautifully boned
large hands
the right an octave and two
the left an octave and three
from playing the viola.


In Gerlachs vertaling wordt dat: pa had handen / die werden nooit oud / ze rijpten gewoon- / mooie botten / en heel grote handen / rechts een octaaf plus twee / links een octaaf plus drie / kwam door de altviool.
Gerlach weet trouwens de hele bundel door Irons eigenaardigheden overtuigend om te zetten. Een voorbeeld uit ‘Rubella’ / ‘Rodehond’:


his younger son turned a deaf ear
and studied german
and came to love
the soundness of its syntax
the castles of its clauses –
a deserter in the ranks

zijn jongste zoon, oostindisch doof
ging duits studeren
en raakte verliefd op
die kloeke syntaxis
die rotsvaste vormen –
deserteur in eigen gelederen



De laatste regel verwijst naar de afkeer van de vader van ‘de oorlogsduitsers’, een gegeven dat als ja, een rode lijn door ‘Rodehond’ loopt.

Irons’ precieuze zegging, zijn pregnante woordkeuze ook, zullen zeker mede ontstaan zijn onder invloed van het tientallen jaren lang vertalen van talloze boeken uit o.a. het Noors, Zweeds, Deens, Duits, Frans en vooral Nederlands. Irons dankt z’n bekendheid in onze contreien vooralsnog op de eerste plaats door zijn werk voor Poetry International maar weinigen zullen weten dat hij in de jaren zestig zijn doctoraat haalde met de studie ‘The development of Imagery in the Poetry of P.C. Boutens’. Volgens zijn website vertaalde hij werk van maar liefst 65 Nederlandstalige dichters! Van o.a. Hugo Claus, Gerrit Komrij, Hannie Rouweler, Jan Kostwinder en Alfred Schaffer betrof dat complete bundels, van anderen nam hij topgedichten onder handen, van Martinus Nijhoff bijvoorbeeld 'Het uur U'.

Het is dus een groot raadsel waarom iemand met zoveel literaire kennis, zoveel empathie voor talen en culturen en ongetwijfeld de kriebel om autonoom te dichten zo lang gewacht heeft met een eerste publicatie. Misschien zette juist de omgang met talloze goede dichters dat verlangen op de handrem, belemmerde de veelheid van stijlen waar Irons dagelijks mee bezig was het vinden van een eigen geluid. Misschien ook zorgde de honderdste geboortedag van Irons’ pa voor een doorbraak.

In elk geval levert zijn debuut meteen een eigen, duidelijk herkenbaar geluid op. Ik zou althans niet gauw weten van welke Nederlandse dichter onderstaand gedicht zou kunnen zijn, waarbij het zwemmen voor de lezer die ik ben, zeker na het typen van voorgaande zinnen, ook staat voor de kunst van het dichten. Vader en zoon slagen voorbij de dood van de eerste…


ZWEMKUNST

pa heeft nooit leren zwemmen
eenmaal per jaar
stond hij in zijn grijswollen zwembroek
eindweegs in het water
zwanenvleugels zijn schouders
onwennig vlees
knipperend tegen het licht

ik kan niet zwemmen
bekende pa
maar ik kan geloven
dat ik het kan
daar heb ik aanleg voor

pa geluksvogel
zwemmend in eeuwigheid



Een passender einde van deze korte bespreking dan deze laatste strofe is haast niet mogelijk.





Recensie: Albert Hagenaars
Uitgeverij: Avalon Pers, 2007
Photo: © Siti Wahyuningsih

maandag 27 december 2010

CURAÇAO - Vaar naar de vuurtoren


CURAÇAO

Eilandgevoel, dat is het onbetwiste trefwoord voor deze anthologie met gedichten en volksliederen over álle eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Het zijn er 12, verdeeld over het Caribisch gebied en Nederland zelf, waarvan twee met een actueel verse status. Curaçao en Sint-Maarten werden namelijk landen binnen het koninkrijk.
Geholpen door kenners ter plaatse verzamelde Klaas de Groot, die ook het nawoord met verantwoording schreef, een opvallend groot aantal teksten: Ameland (8 stuks), Aruba (12), Bonaire (7), Curaçao (14), Rottum (6), Saba (7), Schiermonnikoog (8), Sint-Eustatius (4), Sint-Maarten (4), Terschelling (11), Texel (11), Vlieland (9). De room op het geheel is een slotdeel (8) dat een algemeen perspectief biedt. Dichters van faam, o.a. Arion, Bernlef en Slauerhoff, staan naast plaatselijke grootheden als Gré Buitenwerf en Cecile Peterson.
Het motto voorin, van Cola Debrot, is zo goed gekozen dat ik het wel moet citeren. De originele tekst luidt: ‘Ami gusta un cos / I abo gusta e mes cos / ma kiko e cost a cu nos gusta / lo keda un secreto entre nos dos’. In de Nederlandse versie van Carel de Haseth komt dat, hoewel hij niet letterlijk vertaalde, niet minder treffend over: ‘Ik houd ergens van / en jij houdt van hetzelfde / maar wat het is waar wij van houden / blijft een geheim tussen jou en mij’.

Curaçao, dat dus qua aantal bijdragen aan kop gaat, krijgt de onverdeelde aandacht van, in alfabetische volgorde: Frank Martinus Arion, Oswin ‘Chin’ Behilia, Oda Blinder, Charles Corsen, Lucille Haseth, Carel de Haseth, Elis Juliana, Antoine A.R. de Kom, Pierre A. Laufer, Boeli van Leeuwen, Walter Palm, Myra Römer, Andries van der Wal en Guillermo E. Rosario. De naam van laatstgenoemde is verbonden aan het volkslied van het eiland, dat door Rose Ellen Evertsz-Jonkhout en Margaret Grace Jonkhout in het Nederlands werd vertaald en hier eveneens afgedrukt. Aan deze van trots en zelfvertrouwen blakende ‘Himno di Korsou’, die inmiddels alleen in het Papiaments gezongen mag worden, werkten opvallend veel personen mee, iets wat in dit boek helaas onduidelijk blijft, waardoor het ten onrechte alleen aan Guillermo Rosario toegeschreven kan worden. De historie in een notendop: de Nederlandse broeder Radulphus schreef al in 1898, ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina, de tekst op het stramien van, godbetert, een Tyrools lied. In de jaren dertig componeerde broeder Candidus Nouwens dan de tegenwoordig gebruikte melodie. In 1978 gaf de regering tenslotte een commissie, bestaande uit Guillermo Rosario, Mae Henriquez, Enrique Muller en Betty Doran, de opdracht de tekst te herzien, opdat die beter paste bij de veranderde politieke en maatschappelijke context. Van deze versie, die een tijdlang voor alle zes de Nederlandse Antillen gold, worden tegenwoordig meestal alleen de eerste, tweede, zevende en achtste strofe gezongen.

De literair beste bijdrage over het eiland is van Boeli van Leeuwen (1922-2007), die als prozaïst een grote hoogte bereikte maar dus ook als dichter weet te imponeren, en dat terwijl hij zich nauwelijks in deze discipline uitte. Van hem is ‘In dit licht’ opgenomen, gekozen uit de gelijknamige publicatie met foto’s van Carlos Tramm (Uitgeverij ICS, 1995). De titel geeft al aan welk aspect van Curaçao centraal staat en dat is niet vreemd gezien de aandacht in zijn werk voor kijken, góed kijken, zién dus, en inzien, doorzien maar ook ontzien:

IN DIT LICHT

Op zulk een schrale harde bodem
ging, op een ezel wiegend,
Jezus aan de mens voorbij.

sindsdien kan niemand
hoog te paard gezeten
over dorre bodem gaan:
geen paard krijgt vleugels in het gruis van deze gronden
geen ruiter stijgt in hoogmoed uit het stof.

verschuilen kan zich niemand onder deze hemel:
een bol en strak gespannen suizelend plafond
gekoepeld om een bronzen ruimte
waarin zonnen exploderen
en ’t gesmolten licht doen spatten in de zee.

in dit licht zijn alle dingen zoals ze zijn
en niet zoals wij ze willen dromen
en wij zijn ook niet meer dan wat wij zijn:
morituri op een eiland in de zee.

dit is geen land van melk en honing
maar van sprinkhaan en profeet
dit is geen land waar gras
het stof der aarde camoufleert
en waar zachte grijze wolken
tussen mensen en vuur geschoven zijn.

wij staan hier naakt op deze rots.


In plaats van een weelderige taal die nogal eens met de tropen geassocieerd wordt, vergast Van Leeuwen de lezer op schraal, hard, profetisch, om niet te zeggen calvinistisch aandoende beelden en beschrijvingen, die indringend genoeg zijn om hun werking niet meer te laten vergeten.
Dat dit maar één perspectief is waarvoor Curaçao zich leent, bewijzen met name Arion, die in ‘Eiland van mijn dromen’ wel een plaats aan nachtelijke voorstellingen en wensen geeft, én aan de lach, en De Kom, in wiens beeldenrijke ‘Blauwbaai’ de branding tevens de grens van leven en dood wordt. Oswin Behilia sluit met de beschrijvende zang van ‘Zikizá’ meer bij de Latijns-Amerikaanse traditie aan en Myra Römer laat Papiaments en Nederlands samenvallen in één gedicht. Hoewel er zeker, zowel inhoudelijk als vormtechnisch, overeenkomsten tussen de bijdragen te ontdekken zijn, is het onderscheidend vermogen van elk groot genoeg om er relevante leeservaringen aan te kunnen koppelen. Daar schuilt de grote verdienste van samensteller Klaas de Groot.

Alle teksten in ‘Vaar naar de vuurtoren’ werden in de originele taal afgedrukt, die in het Fries en Papiaments tevens in vertaling, de Engelse niet. John Jansen van Galen schreef een hoogst vermakelijk voorwoord aan de hand van eigen eilandervaringen en dat blijken er vele te zijn.

Het resultaat is een in alle opzichten afwisselend boek dat velen zal boeien én zelfs de koffers doen pakken!

Recensie: Albert Hagenaars, 26 december 2010.
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: In de Knipscheer. 2010

zondag 26 december 2010

FRANS BUDÉ - Afrit

Frans Budé (º1945), al zo’n 20 jaar een van onze toonaangevende dichters, acht de tijd rijp om als prozaïst te debuteren. Het is boeiend om te zien dat zijn poëtische pluspunten ook in de novelle ‘Afrit’ volop aan bod komen, zoals: zijn oog voor een rijke detaillering, een prettig leesbaar ritme, de trefzekere beeldspraak en vooral ook het vermogen in enkele woorden sfeer te scheppen. Proza, hoe kort ook, vereist echter nog iets meer, namelijk enkele krachtige lijnen die de compositie schragen, het casco van het boek vormen en juist dat ontbeert nu dit op zich originele verhaal. ‘Afrit’ is naar verhouding teveel een interieur gebleven. Daardoor krijgen ook tempo en spanning niet genoeg kansen. Een ander bezwaar geldt de relatie tussen de beschrijvingen en dialogen; in plaats van elkaar aan te vullen, liggen ze qua stijl teveel in elkaars verlengde. Hopelijk gaat Budé door met proza, hij heeft genoeg in z’n mars, maar hij zou dan meer afstand moeten creëren, zoals een schilder een paar stappen achteruit zet, en vooral krachtiger vormgeven.

Recensie: Albert Hagenaars
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: Plantage, 2005

vrijdag 17 december 2010

TONY WHEELER - Schurkenstaten

De Britse publicist Tony Wheeler, bekend als oprichter en boegbeeld van de Lonely Planet reisgidsen, vond het tijd voor een reactie op de uitspraken van president Bush jr. over diverse ‘schurkenstaten’. Hij wijdde een boek aan negen ‘evil states’: Afghanistan, Albanië, Cuba, Irak, Iran, Libië, Myanmar, Noord-Korea en Saoedie-Arabië en voegde een zgn. Slechtheidsmeter toe aan zijn artikelen, die alfabetisch per land zijn geordend. Hij gebruikte daarvoor op zich vage en subjectieve criteria 1) Persoonsverheerlijking, 2) Externe bedreiging, 3) Terrorisme en 4) Eigen burgers. Voor een korte beschrijving is de meter echter een aardige toevoeging.
Wheeler werkt met perspectiefwisselingen en geeft veel gedetailleerde indrukken. Zijn stijl is persoonlijk, pregnant, ironisch, beeldend (zonder literair te worden) en hij laat ruimte voor zelfcorrectie. Deze stilistische cocktail werkt verfrissend en zal vooral lezers aanspreken voor wie het nieuws in de media te karig is en een dikke pil te saai!
De ontwikkelingen gaan zo snel dat het boek gauw gedateerd zal zijn maar de komende paar jaar voorziet het zeker in een behoefte.

Recensie: Albert Hagenaars
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: De Arbeiderspers, 2007.

zaterdag 11 december 2010

ERNST VAN ALPHEN - Schaduw en spel

Aan de omslag zie je het er niet aan af maar deze bundel met 3 essays van literatuurwetenschapper Ernst van Alphen (º1958) is van bijzonder belang. Aan de hand van werken en ideeën van beeldend kunstenaars, auteurs, historici en pedagogen introduceert hij een nieuw perspectief op de Holocaust, niet langer gericht op de herinnering maar op de traumabeleving en vooral niet in de eerste plaats op de slachtoffers maar op de daders. Geen wonder dat enkele artikelen namen hebben als ‘Dodelijke geschiedschrijving’ en ‘Holocaustje spelen’. Eén voorbeeld: Van Alphen haalt een installatie van de Israëlische kunstenaar Roee Rosen aan, 'Live and die as Eva Braun', waarmee die het publiek aanspoort even Hitlers minnares te worden en vanuit háár ervaring op de Nazi-leider te reflecteren. Alleen al door het geciteerde stukje tekst van Rosen, dus zonder het betreffende werk in z’n geheel te zien, krijgt de lezer verwarrende gewaarwordingen. Keer op keer weet Van Alphen op die manier zijn doel te bereiken. Het boek is behalve van citaten ook rijkelijk voorzien van foto’s en stoelt op een notenapparaat en een bibliografie.

Recensie: Albert Hagenaars
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: NAi, 2004

donderdag 9 december 2010

CLAUDE VAN DE BERGE - White-Out

In de 5e bundel op rij, de laatste van de reeks, projecteert Claude van de Berge (Assenede, º1945) zijn poëtica op de zuivere wereld van IJsland en Groenland, die door passende foto’s van Arlette Walgraeff extra nadruk krijgt. Opnieuw presteert de dichter het de leegte van het hoge noorden te bezielen, betekenisvolle verbindingen tot stand te brengen tussen mens en landschap en dier, vroeger en nu, realiteit en mythe, leven en dood en dit alles zonder overlappingen met de vorige bundels. Er zijn ook weer tal van verwijzingen naar religie, filosofie en antropologie, die met veel raffinement in de tekst verweven zijn. Zegging en zinsbouw, eenvoudig maar nergens simpel, sluiten naadloos aan bij wat ze beschrijven. ‘Ogen. / Poolblind. / In de sterrenscheur.// Ogen, met de stem van scherven. / Een steen is de ziel van een andere steen. // En leven en dood vloeien uit in zijn sprakeloze / mondopening.//Sneeuw, vul ons./ Geef ons een gestalte.’ Dit is een zeldzaam goede bundel, een waardig sluitstuk van Van de Berges queeste van de laatste 10 jaar, een aanrader voor elke poëziecollectie!

Recensie: Albert Hagenaars
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: P, 2005

HENDRIK DE VRIES - Biografie


De geest van Hendrik de Vries (1896 - 1989), een van de beste en opmerkelijkste dichters van de eerste helft van de 20e eeuw, maar ook schilder en tekenaar, mag zich vergenoegen met deze lijvige biografie door de ervaren Jan van der Vegt, die eerder in leven en werk van Hans Andreus en A. Roland Holst afdaalde. Hoewel hij zich als fan opstelt, blijft hij kritisch genoeg om de onhebbelijkheden en tevens literaire feilen van zijn onderwerp aan de kaak te stellen. Hij doet dat echter steeds op zo’n manier dat ook de lezer begrip krijgt voor de omstandigheden. Hoe verder je in het boek komt, hoe meer je onder de indruk raakt van de vele wetenswaardigheden die Van der Vegt boven water heeft weten te halen. Bovendien is de auteur erin geslaagd het raadselachtige dichterschap van De Vries stevig in te bedden in cultuur en politiek van zijn tijd en biedt hij dus veel kijkjes achter de schermen. Het is een voorbeeldige en soms spannende levensbeschrijving geworden die, zonder goedkoop te worden, door een breed publiek makkelijk gevolgd kan worden. Dit boek is wegens genoemde kwaliteiten een regelrechte aanrader!

Recensie: Albert Hagenaars
www.alberthagenaars.nl
Uitgeverij: Meulenhoff, 2006