woensdag 1 juni 2011

GUY VAN HOOF - De wetten van Copernicus



Met weinig en dan nog eenvoudige middelen en een overtuigende hoeveelheid expressie in deze uit 5 reeksen bestaande bundel overtreft de jonge dichter Guy van Hoof niet alleen tal van collega’s maar eerst en vooral zichzelf.
Het gebeurt niet zo vaak dat een dichter een aantal matige bundels publiceert om dan ineens zo te verrassen als Van Hoof nu doet. Zijn thematiek is die van het onvermogen van het individu temidden van de complexiteit en schijnbare zinloosheid van de wereld waar hij tegelijkertijd wel en niet deel van uitmaakt. De opposities zijn zo talrijk dat de bundel een spiegelpaleis genoemd kan worden. De spanning wordt nog versterkt door een scherpe beeldspraak en een trefzekere zegging die tevens de vorm (onregelmatig strofisch) bepaalt. Belangrijk is dat de bundel door een groot publiek gelezen kan worden, zonder dat Van Hoof concessies in die richting gedaan heeft.
Op de omslag van de bundel staat 'Interieur' van de Antwerpse schilder Johan Deboes, een voorstelling die gezien de grote overeenkomst in spanning en huiver goed past bij de beelden en sfeer van Van Hoof!
De bespreker zegt "chapeau", de poëzieliefhebber "precies!"


Hij reisde zichzelf achterna
en proefde de dood in de regen.

Onder de leren zool van zijn schoen
werd iets stukgetrapt.

Op het strand en in zijn gedachten
verkoos hij naakt te zijn,
de stad verborg hem in haar schaduw.

Een sigaret uitdrukkend
tegen een beslagen raam.

In het hotel
schoof zij de bedden tegen elkaar.
Er stond een schrijfbureau
zo nutteloos en mooi.

's Nachts de treinen
in het rangeerstation
de architectuur van het leven.





Recensie: Albert Hagenaars
Uitgeverij: Nioba, 1988.
Foto: onbekend.

1 opmerking:

  1. Een nieuwe gedichtenbundel is altijd een nieuwe uitdaging. Een krachtproef. De dichter spant de boog van zijn innerlijke onrust en schiet woorden af op de lezer. Het beeld dat de dichter zich van de wereld vormt, is chaotisch en verbruid en op het puin verzamelt hij zijn verbeelding, zijn Weltschmerz, zijn pijn om een gedicht te schrijven als een huis.
    Sommige dichters hebben veel woorden nodig en raken er in verstrikt. Grote poëzie valt op door haar eenvoud. Toch zal een gedicht nooit volledig prijsgeven wat de dichter bedoelt, omdat ook de lezer mee moet kunnen schrijven aan het gedicht. Door de lezer krijgt het gedicht een functie.
    De titel van de nieuwe gedichtenbundel van Guy van Hoof, De wetten van Copernicus, licht een tipje van de sluier op. Beweging, verandering, vernieuwing, vrijheid van handelen en denken, waarheid... zovele onderliggende thema's in De Wetten van Copernicus. Het is een filosofie en de titel straalt deze filosofie uit.
    In deze bundel schuiven drie bewegingen over elkaar: de fysische vlucht van de dichter, zijn vlucht in de verbeelding, maar ook de beweging in zijn denken. In deze bundel krijgt het leven bijna altijd de bovenhand over de dood. Er heerst een voorzichtig optimisme. Een nieuw gegeven in de poëzie van Guy van Hoof.
    De dichter ervaart deze derde beweging als een prikkel tot zoeken en onderzoeken. Hij ontdekt fascinerende wegen, waarop weinigen hem zijn voorgegaan.
    In De Wetten van Copernicus probeert de dichter de tijd te overleven, zonder schuldgevoelens of angst. Wetende dat je niet krankzinnig bent, als je zo nu en dan de pijn voelt en er even voor uit de weg gaat, even uitwijkt in een tijdelijke vlucht. Wetende ook dat dit gevoel u bevrijdt.
    De Wetten van Copernicus is een terrein verkennen geworden van mogelijkheden waarover de dichter beschikt om die bevrijding te bereiken. Hij neemt ons mee naar een ver oord dat je nooit bereikt zonder perken te overschrijden. Voorbij het keerpunt waar liefde en schoonheid heersen, en kleur ongerept is en elk kortstondig ogenblik een volmaakte betekenis verkrijgt. Naar een ver huis met stille deuren, waar je zelden of nooit verblijft, maar altijd naartoe reist. In en uit, groeten en afscheid nemen, toeven en vluchten, keren en gaan. De Wetten van Copernicus of de poëzie van het verstilde gebeuren - beweging die nooit luidruchtig wordt, niet in de taal, niet in de emotie.
    Telkens stelt de dichter vast dat wat hij geluk noemt een soms wanhopige vlucht wordt voor al datgene waarvan hij weet dat het toch zal opdoemen.
    Vluchtende voelt hij behoefte aan emotionele stabiliteit. Vluchtende voor de pijn voelt hij de pijn van de vlucht. De dichter, een mens in beweging. Hij beseft dat er stilstand is die dood is, en stilstand die leven inhoudt: het niet-kunnen-bewegen tegenover het rust-vinden na overal in beweging te zijn geweest, of gelijktijdig: beweging naar de stilte toe.
    Over beweging denken, schrijven betekent in beweging komen. De Wetten van Copernicus is opgevat als een geheel. Een concept. De dichter vlucht in de stad, maar ook in het landschap. In de ruimte ontmoet hij Icarus. Hij vlucht in een droomwereld, in verslaving, in zelfvernietiging. Toch staat tegenover de dood ook zijn vitalistisch verlangen naar leven, naar dynamiek die echter het contemplatieve van kunst en schoonheid niet uitsluit. Een synthese van dat alles vindt de dichter in de grote kunststeden Firenze en Venetië. Maar ook dit is een vlucht in een niet-meer-bestaande wereld.
    De bundel boeit, verrast en prikkelt doorlopend zo sterk. Gedichten vervullen in een eigengereide schoonheid hun zending.
    Guy van Hoof leeft zijn poëzie, zij is op zijn hartslag geregeld. Hij gebruikt zijn taal onopvallend goed, onthult haast stiekem ook de binnenkant van de dingen, waarbij het woord ambivaleert, het in de aura van de fantasie brengt, of in de dartele dans jaagt van zijn lichamelijke gedichten.
    Thierry Deleu

    BeantwoordenVerwijderen